Een ambassadeur van het dorp

Als Franck Wagemakers op een zonnige middag op zijn steiger aan de ’s-Gravelandsevaart gaat zitten, voelt hij zich precies op zijn plek. Met een boek op schoot en de zon in zijn gezicht kijkt hij uit over het water en denkt: hier wil ik niet meer weg. “De Utrechtse binnenstad was hartstikke leuk, maar dit dorp is fantastisch,” zegt hij. 

Van Utrechtse binnenstad naar lintdorp 

Samen met zijn partner verhuisde Franck zo’n zeven jaar geleden van de binnenstad van Utrecht naar ’s-Graveland. Niet omdat ze de stad zat waren, maar omdat de omgeving hier hen al jaren trok. Ze hebben een boot op de Loosdrechtse Plassen en wandelden vaak door de ’s-Gravelandse Buitenplaatsen. Daar werden ze verliefd op de combinatie van water en bos. Toen er een nieuw huis aan het Noordereinde gebouwd ging worden, ging het snel: “We dachten, we kunnen allicht de makelaar bellen, maar het zal vast al verkocht zijn. Een paar weken later zaten we bij de notaris.” 

Wonen tussen de vaart, het bos en de buitenplaatsen 

Het huis dat ze vonden, past precies bij hoe Franck wil wonen. Geen grote tuin, maar een steiger direct aan de vaart, met middag- en avondzon. Als hij aan de voorkant van het huis de weg oversteekt, staat hij zo in het bos. Vaak schiet er dan een ree voorbij; ook na zeven jaar wonen blijft dat voor hem een cadeautje. Over de hele lengte van het lintdorp liggen de historische buitenplaatsen, met landhuizen, lanen en oude bomen. Franck wandelt er dagelijks met de hond en kent de verhalen achter de huizen. Hij geeft rondleidingen in Trompenburgh, het iconische landhuis in het water met een zeldzame 17e-eeuwse koepelzaal. “Het is echt een bakermat van historie,” zegt hij bijna trots. 

Op zoek naar de geschiedenis 

Wie met hem meeloopt over de buitenplaatsen, krijgt niet alleen natuur te zien, maar ook een stroom aan verhalen. Over Cornelis Tromp en zijn vrouw, over de sterke Louise Six op Gooilust en over de rijke Amsterdammers die hier hun buitenhuis lieten bouwen om de stad in de zomer te ontvluchten. Franck zoekt die geschiedenis bewust op. Waar hij ook woont, wil hij weten wat er eerder was, wie hier leefden, hoe een plek is geworden zoals die nu is. 

Een dorp waar iedereen de schouders eronder zet 

Toch is ’s-Graveland voor hem meer dan een mooi decor. Het is ook een dorp waar mensen de schouders eronder zetten. Hij vertelt over de vrijwilligers die bloembakken ophangen aan de lantaarnpalen langs het hele lint, en die in ploegendienst met een aanhanger en watertank het water geven. Of over de stichting ’s-Graveland 400 jaar, die een jubileumboek maakte en een jaar lang activiteiten op touw zette om te vieren dat het dorp 400 jaar bestond. “Dat vind ik echt kenmerkend: mensen zijn hier actief en betrokken,” zegt hij. 

Charme bewaren én durven vernieuwen 

Hoewel de buitenplaatsen de geschiedenis en charme van het dorp behouden, vindt er ook verandering plaats. Oude loodsen verdwijnen, nieuwe huizen komen ervoor terug. Op sociale media klinkt soms boosheid over “alles wat wordt platgegooid”. Franck kijkt daar anders naar. Zijn eigen huis kwam op de plek van een oud schuurtje, maar is gebouwd in stijl met trapgevel en kleuren die passen bij de straat. Hij noemt het een verrijking: er is nieuwe woonruimte, zonder de geschiedenis te negeren. “Niets is voor de eeuwigheid,” zegt hij nuchter. 

Het dorpsleven 

Ondertussen beweegt het dorpsleven gewoon door. In mei is er de jaarmarkt met feesttent, bingo en zeemanskoor, waar oudere inwoners met hulp van vrijwilligers naartoe worden gebracht. Kinderen spelen bij bezoekerscentrum en speelbos OERRR van Natuurmonumenten, leren sporen zoeken en raken vertrouwd met alles wat de natuur te bieden heeft. Dat gunt Franck iedere nieuwe generatie: buiten zijn, de natuur voelen, snappen wat hier allemaal is. “Wandelen in de natuur is zó goed voor je lichaam en hoofd,” zegt hij. 

Franck merkt dat hij vaak in de uitlegstand schiet als hij over het dorp praat, of als hij bezoekers rondleidt op Trompenburgh. “Ik vertel er graag over, over de natuur en al die verhalen achter de buitenplaatsen,” zegt hij. “Ik voel me echt een beetje ambassadeur van dit dorp, en dat voelt als een voorrecht.”